Image Alt

Toer ‘80

Wielrenner Erik Hulsegge

Wielrenner

Erik Hulsegge deelt zijn befaamde column ‘Wielrenner’ ter gelegenheid van de livegang van de nieuwe website van wielervereniging Toer’80.

Ik heb een wielrenner. Een echte. Ik voel het-blije-jongetje-gevoel. De blijheid van toen ik een leren bal voor mijn verjaardag kreeg. Ik nam de bal mee naar bed en viel er geurend naar leer mee in slaap. Weken durfde ik hem niet mee naar het trapveldje nemen. Bang dat ie beschadigd raakte.

En nu heb ik een wielrenner. Een racefiets. Het merk van Piet Pelle. De smalle gladde bandjes, het perfect gebogen stuur, de zilveren handremmen, de matzwarte versnellingshendels. En het metallic roodwitblauwe frame.

Mijn allereerste racefiets

In mijn strak zwarte wielerbroek met ‘hupselen’ met knoeperd van een zeem erin en een ademend zwart wielershirt voel ik mij op mijn wielrenner een renner, een coureur.  De Kneet. Het Olifantje of Der Jan.  Steven, Niki of Bauke. Ik duw de zonnebril met spiegelende glazen wat strakker op mijn neus en leg mijn handen onder in het stuur.  Mijn allereerste racefiets.  Mijn allereerste ritje.

‘Oeps, dat klopt niet’. Besef ik plotseling. Ik had al eerder een wielrenner. De wielrenner van buurman Chris. Buurman Chris werkte bij videotheek Hekman en in het café in het kleine straatje. Daar had hij van een klant een racefiets op de kop getikt. Buurman Chris deed veel, maar niet fietsen. Dus vroeg hij of ik hem hebben wilde. Hij stond toch maar in ’t schuurtje.  ‘Een geeltje’, zei buurman.  Omdat ie ‘m ook niet voor niets wilde weggeven.

Zo’n aanbod sloeg ik natuurlijk niet af. In die tijd kreeg ik alleen maar een basisbeurs vanuit het Engelse Kamp.  De wielrenner van buurman Chris was van Italiaanse makelij en was van goud. Her en der was er een bladdertje af maar een kniesoor die er op lette. Met mijn gouden wielrenner reed ik naar Zwaan en De Wiljes in Scheemda.  Bij het graszaadverdelingsbedrijf (ze vinden er nieuwe grassoorten uit) vakantiewerkte ik met De Kuil, De Poel,  Lutje Kootje en chef Salomons.

Elke morgen om vijf voor half acht parkeerde ik de gouden wielrenner tegen de romneyloods achter de fabriek. Een rood cijferslot met de illustere combinatie 013 zorgde ervoor dat niemand de Fratelli zou stelen ofschoon een fietsendief  het nooit in zijn hoofd zou halen om bij een graszaadveredelingsbedrijf zijn slag te gaan slaan.  Even na half vijf cijferde ik het slot weer open en reed moe maar soepeltjes  terug naar huis.

Weken ging dat goed. Op een hete zomerse augustusdag reden we terug van  ‘t roet kraben’* het erf van de fabriek op in de gammele rooie Ford Transit. ‘Most kieken zee Kootje. Der zit n best gat in loods’. Ik zat achterin en keek over de kleine Kootje heen naar de loods. Inderdaad een enorm gapend gat sierde de zijwand. ‘Moijje… Tis net of der n vrachtwoagen inzeten het…’verbaasde Kootje zich. Ik zei al niks meer, want ik bedacht dat de plek van het gat ook de plek van mijn parkeerplaats van mijn gouden wielrenner was.

Ik stormde het busje uit op zoek naar mijn fiets. Die stond niet meer buiten maar lag nu in de loods. In zesendertig stukken. Niks meer van over. Een vrachtwagen was achteruit gereden en iets te vroeg afgebogen.  Vol met de achterkant in de loods maar niet voordat ie eerst mijn Fratelli naar zijn mallemoer had geholpen. Een schrale troost was het geld dat ik van de verzekering van Zwaan en de Wiljes kreeg. 1500 gulden kreeg ik uitgekeerd. Het was een echte Fratelli had ik nog heel sip kijkend tegen de directeur gezegd.  Dat weekend was het studentenleven één groot feest.

Mijn herintrede in de wielersport is alsof ik nooit ben weggeweest. Ik glij over de weg. Trots als een rooie Ieslander kijk ik naar mijn gloednieuwe wielerschoenen. De gelikte zwarte schoentjes  glimmen in de zon. Onder de zool zit een kliksysteem . De schoentjes klik je zo in de pedalen.  Echte pedalen zijn het niet. De trapper is geen trapper maar een gat waar je de klikker onder de zool inklikt. Muurvast. Voor de ideale wielertred.  Bij de fietswinkel aan de Zeeheldenstraat hadden ze me nog wel een waarschuwing meegegeven . Eerst losklikken en dan remmen. Een tikje naar buiten draaien en hup! ze zijn meteen los. ‘Mor denkterom! Doezend moal oefenen. Want veur dast waist ligst op dele.’

Lientje vond het maar niks. Dat geklik. Ik moest dat echt niet gaan doen met die schoenen vast op de pedalen.’ Lebensgevoarlek mit zo’n klonterd as die…’  Lientje was verontrust want de volgende morgen gingen we op vakantie. En omdat ik de vorige drie vakanties achtereenvolgens met een gekneusde rib, een kapotte meniscus en een slijmbeursontsteking op reis was gegaan, wilde ze nu geen karriebarrie tijdens onze gezamenlijk vrije weken.

O zo soepeltjes klik ik bij een rotonde, een overstekend hondje  of een schoolklas met kinderen de schoentjes los. Geen centje pijn. Ik krijg  na een dik uur wel pijn in de kont. En in de bovenbenen. Terug in de straat zegt een stemmetje in mijn hoofd dat ik op moet passen. Ik hoor ook de stem van Lientje. Over dat klonterd en geklik.

Vijftig meter voor numero dertien heb ik de schoentjes al los en laat me met rood hoofd en zweet op de rug en voldaan gevoel  ‘oetvoaren’.  Langzaam draai ik de oprit op. Ik sta bijna stil. Op zich geeft dat niet want ik heb beide beentjes los en kan gewoon afstappen. Maar gemakzucht dient de mens ik wil tot aan de garage rijden en doe daarom nog een heel ietspietsie klein trapje bij.

‘KLIK!!!’

Mijn linkervoet zit plotseling muurvast in het pedaal. Dat kan toch niet. Ik gaf geen enkele kracht. Ik raak in paniek,  wil mijn linkervoet lostrekken, maar dat gaat niet. Door de kracht op mijn linkervoet helt de fiets over naar links. En ik ook.  Ik voel de verbazing dat ik val. Ik wil me opvangen met mijn linkerarm en elleboog.  Het moment dat mijn arm de tegels raakt, voel ik dat er in mijn schouder iets los getild wordt van het bot. Alsof de schouder uit de kom vliegt. Dan klets ik met mijn hoofd tegen de muur.

Eventjes ben ik van de wereld. Heel eventjes want ik voel plotseling de stekende pijn in mijn schouder. Tegelijkertijd voel ik me ontzettend dom. Ik voel ook de schaamte en voordat iemand me kan zien, tenminste dat hoop ik vurig, kruip ik krimpend van de pijn het huis binnen.

De wielrenner kwak ik tegen de keukentafel. Daar staat ie nog als Lientje thuiskomt. Zij ziet de fiets, blijft even staan en ontdekt het scheve zadel, de stille getuige van de val.

‘ Erikkkkk!!!!!’

Erik Hulsegge

Add Comment

Lid worden?

 

test

Wil je lid worden of meer informatie ontvangen, stuur ons dan een email en wij reageren zo snel mogelijk.




    Of mail ons voor meer informatie: